| ||||||||||||||||||||||||||||||||||
GentiaanblauwtjeHet gentiaanblauwtje is een kenmerkende dagvlinder van natte heide en schraallanden. De stand van de soort is de laatste tientallen jaren hard achteruit gegaan. Daarom is het nodig maatregelen te nemen voor het behoud van de soort in ons land. De Vlinderstichting heeft een speciale website gemaakt over deze soort. Zij zet zich samen met natuurbeherende organisaties, particuliere landeigenaren, vrijwilligers en de overheid in voor de bescherming van deze vlinder.
De eitjes vallen in het veld sterker op dan de vlinder
en ze zijn zeer eenvoudig te herkennen. Ze steken helder wit af tegen de
paarsblauwe kroonbladeren en groene stengel en bladeren van de klokjesgentiaan.
Het gentiaanblauwtje is daarom ook het beste te inventariseren aan de hand van
de eitjes. De eitjes zijn van half juli tot eind augustus te vinden.
De levenscyclus van het gentiaanblauwtje
Het
gentiaanblauwtje heeft een complexe levenscyclus doordat de rups zowel van een
waardplant ( Dit is een plant welke fungeert als gastheer.) als van een
waardmier afhankelijk is. Deze specialisatie bepaalt in belangrijke mate de
huidige zeldzaamheid van de soort omdat een geschikt leefgebied voor het
gentiaanblauwtje tevens aan de voorwaarden van de waardplant en de waardmieren
moet voldoen.
De vrouwtjes zetten hun eitjes meestal af op bijna volgroeide maar nog gesloten bloemknoppen van de klokjesgentiaan, soms ook op de stengel of op het blad. Vooral in het begin van de vliegperiode gebruiken de vrouwtjes grotere klokjesgentianen voor de eiafzet maar nadien maken ze eveneens gebruik van lagere planten. Gemiddeld worden er zo’n zeven eitjes per bloemknop gelegd ( Met maxima tot 23.). Na zo’n tien dagen kruipen de rupsen hier uit. Deze eten zich een weg naar de zachte bloemdelen in het binnenste van de bloem. Na nog eens 10 dagen kruipt hij naar buiten en laat zich op de grond vallen. Hier is het geduldig wachten geblazen op de zeldzame ruwknoopmier of de bossteekmier. Per bloem halen er gemiddeld slechts twee tot drie rupsen het vierde rupsstadium.
De rups verlaat het eitje aan de kant die aan de plant bevestigd is en eet de eischaal niet op. Hierdoor kunnen er nog vrij veel (lege) eitjes gevonden worden op de klokjesgentianen waaruit de rupsen al een tijdje verdwenen zijn. Per bloem kunnen tot maximaal 14 jonge rupsen gevonden worden.
Twee factoren zijn belangrijk voor de ontwikkeling van de rupsen; het aantal rupsen
per bloemknop en de grootte van de bloemknop op het moment van de eiafzet. Het
aantal rupsen per bloemknop is bepalend voor het latere gewicht van de rupsen; hoe
hoger dit aantal hoe lichter elke rups zal zijn.
De rupsen worden in het mierennest door de mieren gevoed met mierenlarven en eitjes
maar ook met prooien van de mieren. Deze mieren adopteren de rups omdat deze
stoffen uitscheidt waardoor de mieren denken dat ze met hun eigen broed te
maken hebben. De rupsen blijven vanaf de nazomer tot en met de winter in het
mierennest.
In sommige mierennesten kunnen tot 22 rupsen van het gentiaanblauwtje gevonden worden. Als parasitoïd van de rupsen geldt er een nog onbekende soort sluipwesp. De sterfte onder de rupsen door parasitisme kan oplopen tot 50%. Het gentiaanblauwtje is een zeer honkvaste soort die meestal maar enkele honderden meters geschikt terrein kan overvliegen - als de vlinder bij het vliegen een bosrand tegenkomt, keert hij terug en vliegt niet over het bos. Het biotoopDe afhankelijkheid van klokjesgentianen en knoopmieren maakt het gentiaanblauwtje kwetsbaar voor veranderingen in zijn omgeving. Door onderzoek is er veel bekend geworden over het gewenste beheer. Herstel van populaties blijkt goed mogelijk. Kleinschalig plaggen speelt daarin een belangrijke rol. In Overijssel gebeurt dat door vrijwilligers van de Blauwe Brigade, onder geleiding van Landschap Overijssel. In het kader van het beschermingsplan zullen ook in andere provincies zogenaamde Blauwe Brigades worden opgericht.
In het halfnatuurlijke, oude cultuurlandschap was het landgebruik van essentieel
belang voor het behoud van de leefgebieden van het gentiaanblauwtje. Op de
natte heide bestond dit vooral uit het steken van plaggen en beweiding door
schapen en runderen. In blauwgraslanden werd doorgaans eenmaal per jaar, laat
in het seizoen, gemaaid. In schraal grasland werd hetzij laat gemaaid, hetzij
extensief (na)beweid en soms gebrand.
De status van het gentiaanblauwtje
In de Rode Lijst Dagvlinders staat het gentiaanblauwtje als kwetsbaar te boek. Gezien de ontwikkelingen over de
laatste tien jaar moet de huidige status eerder als bedreigd worden beoordeeld.
De voornaamste oorzaken van de achteruitgang van het gentiaanblauwtje
zijn verdroging en vergrassing van vochtige heiden waardoor de mieren minder
geschikte nestplaatsen vinden en klokjesgentianen minder goed kunnen kiemen.
Door verkeerd plantengericht beheer kunnen mierennesten te lang onder water
komen te staan waardoor de overwinterende rupsen verdrinken.
Een geschikt natuurbeheer moet zorgen voor twee essentiële zaken: Een voldoende
groot aantal klokjesgentianen voor de eiafzet en een vrij grote dichtheid aan geschikte
knoopmierennesten. Hiervoor moet het grondwaterpeil voldoende hoog gehouden
worden zodat klokjesgentianen kunnen kiemen; het grondwaterpeil mag echter in
de winter niet te langdurig boven het maaiveld staan omdat de overwinterende
rupsen in de mierennesten kunnen verdrinken.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||