zaterdag, 23 september 2017

Achtergrond informatie

Heide

Heide is een landschapstype waarin heidesoorten (Dop- en struikheide) het hoofdbestanddeel van de vegetatie vormen. Heidevelden komen voor op zure, voedselarme gronden en in een klimaat met koele zomers, zachte winters en voldoende neerslag over het gehele jaar.

 

 

Heidevelden kunnen in twee vormen van ontstaan voorkomen

Op de eerste plaats kan heide ontstaan onder natuurlijke omstandigheden. Natuurlijke heide vinden we in het gebergte boven de boomgrens en vlak aan zee. In ons land komt dit type heide voor langs de kust op de kalkarme duinen. Vooral op noordhellingen en vlakke delen in de duingebieden komt deze begroeiing voor. Deze duinheiden hebben zich vooral uitgebreid toen de duinen werden vastgelegd tegen verstuiving. Ze kunnen zich handhaven door de harde, vaak zilte zeewind. Of duinheiden zich geheel zonder menselijk ingrijpen kunnen handhaven is nog onduidelijk. In enkele gevallen kan zich bos vormen.

Op de tweede plaats kan heide ontstaan onder menselijke invloeden. Op de zandgronden in de binnenlanden (Over het algemeen op de zandgronden in Oost- en Zuid-Nederland) zijn de heidevelden ontstaan door menselijk handelen. Dit zijn dus cultuurlandschappen (Hiermee wordt direct duidelijk dat cultuur en natuur onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn!). Om deze heidevelden te behouden is het handhaven van menselijke ingrepen noodzakelijk. Dit in de vorm van plaggen, maaien, branden en/of begrazing. Hierdoor worden voedingsstoffen aan de bodem onttrokken. Zo blijft de bodem voedselarm wat gunstig is voor de groei van heidesoorten.

Een stukje geschiedenis

De oudste heidevelden ontstonden zo'n 5.000 jaar geleden op voedselarme gronden. De eerste landbouwers staken delen bos in brand om akkergronden te verkrijgen. In de as van het verbrande bos werd dan het graan gezaaid. Dit stukje grond kon dan drie jaar bebouwd worden en was daarna uitgeput. Om nieuwe akkergrond te verkrijgen, moest men weer een stuk bos verbranden. Op de uitgeputte delen werd vee geweid zoals- runderen, varkens en schapen. Deze zorgden ervoor dat er geen struiken en bomen op konden groeien. De heide kon hier door verschraling en uitloging gaan domineren.
Dit landbouw � roofbouw - systeem heeft vele eeuwen bestaan. Mede door het laten grazen van vee in het bos, verdwenen de uitgestrekte bossen langzaam maar zeker ten gunste van een uitbreiding van de heide.

Tijdens de Romeinse tijd ontstonden er meer permanente akkercomplexen. Deze zijn later veelal weer opgegaan in de zogenaamde essen toen het heidepotstalsysteem zijn intrede deed. Rond dorpen zijn deze essen vaak nog steeds te herkennen. Grote delen bos werden vernietigd met als doel de aanleg van cultuurgronden, het voorzien in de houtbehoefte en het creëren van weidegronden voor schapen in verband met de mestbehoefte. Op grote schaal ontstonden er onafzienbare heidevlakten. Zo was de heide de kurk waar de landbouw op dreef.

Voor de bemesting van de essen waren flinke hoeveelheden mest nodig. Om deze te verkrijgen had iedere boer een aantal schapen. Overdag graasden de schapen op de heide terwijl ze 's nachts in de stal verbleven waar de mest werd gedeponeerd. Over de mest werd regelmatig een laag plaggen gelegd die gestoken werd op de heide. Dit was om de mest en de urine goed op te vangen en zo de stal schoon te houden. Een dergelijke stal wordt potstal genoemd. Als de laag plaggen met mest een flinke dikte had bereikt, werd dit naar de es gebracht en op het land uitgestrooid.

Door het begrazen van de heide en het steken van de plaggen, waarbij de humuslaag wordt weggestoken, blijft de bodem arm aan voedingsstoffen waardoor de heide zich kan handhaven. Naast het gebruik van de heide als weidegrond en om plaggen te steken had het nog andere functies. Zo werd de heide gemaaid ofwel geplukt om er bezems en boenders van te maken. In de jaren met een slechte hooioogst werd jonge heide gemaaid en gebruikt als veevoer. Een heel specifieke bezigheid op de heide was de bijenhouderij. Veel boeren hielden zelf bijen en er woonde in praktisch elk dorp wel een beroepsimker.

In de periode dat de dopheide of de struikheide bloeide stonden er honderden bijenkorven op de heide. Door een toename van het aantal mensen was het noodzakelijk de oppervlakte akkergrond uit te breiden. Om voldoende mest te verkrijgen werd er op de heide steeds intensiever geplagd terwijl het aantal schapen fors toenam.
Dit steeds intensiever wordende gebruik leidde ertoe dat de heidebegroeiing zich niet kon herstellen. Vooral rond 1850 was een situatie ontstaan waarbij grote delen van de heide veranderden in zandverstuivingen. Deze bedreigden in de loop van de tijd de essen. Om te voorkomen dat de essen onder het stuifzand verdwenen werden de zandverstuivingen bebost.

Door gebruik te maken van stadscompost en de uitvinding van kunstmest werd de behoefte aan dierlijke mest steeds kleiner. Dit betekende dat vanaf 1870 het aantal heideschapen in hoog tempo afnam. Hiermee had de heide zijn belangrijke functie voor de landbouw verloren. Doordat het agrarisch gebruik wegviel, groeiden heidevelden geleidelijk aan dicht met bos. Kunstmest maakte het mogelijk de voedselarme heidevelden te ontginnen tot cultuurgrond. Aanvankelijk vond deze ontginning plaats op kleine schaal.

Toen in de jaren vanaf 1920 de ontginning van heidevelden een steeds grotere vlucht nam, begon de natuurbescherming in Nederland zich zorgen te maken over het verdwijnen van grote oppervlakten van dit landschapstype.
In de crisisjaren na 1929 vonden de ontginningen steeds sneller plaats. Zij deden dienst als werkverschaffingprojecten. Grote oppervlakten heidevelden werden ontgonnen tot cultuurgrond en bos.

Waar doen we het voor?

De resterende heidegebieden worden momenteel bedreigd door vergrassing en overwoekering. Als gevolg van neerslag van allerlei voedingsstoffen uit de lucht ("Zure regen") werd het milieu steeds rijker zodat ook andere planten een kans kregen. De heide werd en wordt totaal overgroeid door twee grassoorten, het Pijpestrootje en de Bochtige Smele. Slechts grootschalige, kunstmatige ingrepen zoals machinaal plaggen en branden, zorgen ervoor dat de paarse heidevlakten hier en daar nog te zien zijn..
Ook worden weer schaapskuddes ingezet die er voor moeten zorgen dat kiemende boompjes geen kans krijgen de heide in bos te veranderen (Het opschonen van de heidevelden hoort hier natuurlijk ook bij).

Bij het plaggen wordt het grootste deel van de mineralen samen met het strooisel en de humusrijke bovengrond tot net boven de minerale zandlaag verwijderd. Vergraste of sterk verouderde stukken heide, vaak met een dikke strooisellaag, worden zo opnieuw naar een vroeg successiestadium gebracht.
Hoe dieper er geplagd wordt, des te meer men verarmt, maar ook hoe trager het herstel van de begroeiing is doordat zeer veel zaden samen met de plaggen verwijderd worden. Als pionier krijg je planten als kleine en ronde zonnedauw en witte en bruine snavelbies. Uiteindelijk zal het terrein evolueren naar een structuurrijk heideterrein.

Alle onderhoudswerkzaamheden op de heidevelden zijn dus gericht op behoud en/of herstel van de heidevelden. Heidevelden zijn een stukje cultuurerfgoed met een eigen biotoop met zijn eigen kenmerkende flora en fauna. Ook hebben de heidevelden, vooral de grotere, een grote landschappelijke waarde.

En daar doen we het dus allemaal voor.